maandag 6 april 2009

A Not So Strange Message from Aussie-land

.
[A Message from Simon The Stranger
somewhere in the country of the Aboriginals]


Proloog

Wat doet mijn naam ertoe? Ik ben ik. Ooit ouder en jonger geweest. Ik zal gaan waar dichters niet durven te treden; de doodskist van de nacht sluit zich rond de randen van mijn hart. Weet jij nog waar en hoe het duister valt over dromen? Ze kent geen spijt of medelijden maar enkel honger. Boven alles is er dat gevoel dat zich opdringt; in mij huist leegte. Wie ooit krom in de ogen heeft gekeken, van die zwerver op de grond, heeft mij gezien.


Voyaga: Het Begin

Dagenlang ben ik bezig geweest, heb afscheid genomen van alles en iedereen; halfnaakt hebben ze voor me gestaan en eerst de ene wang en dan de andere gekust. Geluk gewenst stilzwijgend, mijn moeder gecondoleerd. Ze was in zwart ook al droeg ze rood. Van betraande ogen. Teveel heb ik er gezien die dag; die mijn vertrek niet opmerkten.

Ik ging als een vreemdeling in de koude vroege ochtend, er stonden nog wat sterren; maar ze gingen al bijna liggen.

Ik was dolende in een land dat niet de mijne is; jarenlang zijn er tussen zon en aarde al geen nomaden meer geweest.

Niet langer omhangen met de rauwe korsten van mijn melaatse stilte begaf ik mij opnieuw tussen de mensen. Ze staarden naar mijn rattenkop en slingerden ernaar met scheldwoorden; duizend punten wie raakt. Iemand juichte, ik deed alsof ik niet bestond; keerde ze mijn rug toe en ging naar een land dat alleen nog maar in vage herinneringen leeft. Volgens mij ben ik er geboren. Ooit eens, toen de aarde werd geschapen en er enkel duisternis bestond; jukbeenderen van de nacht gelikt werden door het gejank van een zwerfhond. Zo eenzaam heb ik mij nog nooit gevoeld, maar ik ben dan ook nooit een hond of een mens geweest. Misschien komt die dag nog.

Tot dan zal ik me schuilhouden in de goot als een zwerver.

Netjes woorden stamelen wanneer men me aanziet voor dakloze en me muntjes toewerpen; zoals het hoort. Tenminste tot ik aankom in het land dat me eens beloofd werd toen ik zeven was, in een reisadvertentie; misschien geloofde ik toen nog in sprookjes voor het slapen. Ik weet het niet meer zeker.

Maar het verbaasde me dat er daar vogels waren, groter dan ikzelf.

Ik at uit kranten, stouwde me vol met beurskoersmac ‘n cheese en andere Amerikaanse vethapcrap. Snoof me naar de kanker met kredietcrisiscocaine, vol glasvezels en ander soort ongein.

Normaal zou ik er dood aan zijn gegaan, maar een mens leert zichzelf kennen als hij nergens meer heen kan behalve zichzelf, om achter te verschuilen. Ik spoot me vol met waardeloze dollars, kreeg spontaan een maagkrach achter de kiezen; had beter moeten weten. Ik dacht aan scheurbuik of andere middeleeuwse ziektes waar mensen dood van gaan. Waarom niet, ik leefde immers ongezond. Voelde me net een huisvrouw aan de crystal meth, lag te weken in mijn lichaam. Het viel uit elkaar, toen mijn tanden uit mijn bek kruimelden wist ik het zeker; ik ga dood in een land waar ik niet sterven wil. En de winter was al gekomen.

Die nacht, ik ging slapen en bloedde bijna dood, merkte het pas de volgende ochtend. Mijn kussen kleverig van bloed en hersens. Ik ben altijd kerngezond geweest, behalve dit jaar. Ik zag er niet uit en voelde me nog erger. Mensen die me een maand niet gezien hadden begonnen al met liegen: “Wat zie je er goed uit!” En ik wist dat ze logen uit medelijden. Het was alsof mijn lichaam uit me weg wilde lopen, hier wilde blijven en dat liet weten. Maar in feite was ik al jaren dood aan het bloeden. Het seizoen van naaldbomen en liefde voor mensen waar je de rest van het jaar niet meer naar omkijkt was slecht voor mij; ik bloedde nooit in de zomer. Ik moest weg, had al jaren weg moeten zijn, maar kon geen land vinden dat me wilde hebben. Want ik was anders en alles dat anders is, is hetzelfde; gevaarlijk. Er sijpelde bloed door mijn aderen dat met twee aardes wilde vermengen. Maar ik erkende geen van beide chromosoomplaneten en waande me daarom vrij om te gaan en staan waar ik kwam. ‘Je hebt geen half maar dubbelbloed,’ spraken idioten tegen mij. Ze wisten blijkbaar niet waar ze over logen en hadden vast geen oorlog meegemaakt. Wie niet puur is, sterft als eerste.

Ik ben al zo vaak geëxecuteerd. Ik ben nooit welkom geweest in het land waar ik niet thuishoorde, er klonk geen roep uit mijn vaderaarde en ik keerde hem mijn ogen toe, de rug is enkel voor verraders. Zelfs in het land van mijn barensweeën was ik een vreemdeling. Met niet eens een stukje steen om op te staan.


Voyaga: Shanghaise Nachten

Het was zoals ik had verwacht dat China zou zijn, als ik er ooit zou aankomen. Gigantisch leeg. Er paradeerden wel wat mensen maar die waren hoofdzakelijk voor de sier, net als de muurschilderingen werd ik aangestaard alsof ik een rat was op sterk water. Door nauwgetrokken spleetoogjes en opgewonden lachjes gevolgd. Ik had niet willen luisteren, bevond me nu in een vijandig land van onbekende klanken en tekens. Ik dacht dat kunnen zeggen: ‘Ik ben in Shanghai en weet de weg’ pas na lange tijd zou gaan vervelen. In feite was ik al verdwaald voordat ik een voet aan land had gezet.

Want het Shanghai van Neptunus was het mijne niet. De geur van Shanghaise nacht sijpelde mijn aderen binnen en ik snoof haar in lijnen op. Haar exotische kronkelingen verdreven het gif uit mijn bloed. In dit land voelde ik me thuis, bijna.

Zo’n gevoel dat past maar niet te plaatsen is, een puzzelstukje dat niet in elkaar schuift, zonder wroeging van lucht. De stank van benzine en eeuwen verrotting deden me denken aan het oude China, vraag me ook niet waarom. Mijn gedachten liepen dood in de benevelde steegjes van Parijs in het oosten waar geen stilte bestaat; en ook geen duister. Licht slaapt er nooit. De wereld mag dan verkouden in bed liggen, maar Shanghai is een terminale kankerpatiënt aan speed.

Het overviel me terwijl ik er het minst op voorbereid was.

Plotseling waren er overal draken tussen de lakens, die vuren aanstaken in mijn hoofd. Ik werd verteerd door de ijzige sintels en vlammen van zweet die om me heen duizelden; ook hier was de winter doorgedrongen tot mijn botten. Wederom was ik stervende in een land dat niet het mijne wilde zijn. Vanuit de straten stegen hymnen en gebeden op voor de stervenden. Ze drongen mijn hersenen binnen in stekende stromen; lieten een slijmerig spoor van verwoesting achter. Ik verviel in hoestende stormen terug naar de staat van een kind; waar ik waande dat alles weer goed zou komen, zoals alleen een stervend kind dat kan.

Het kwam in een werveling van licht, ik zou noordwaarts trekken naar het hart van de vorst en hem neersteken in zijn Verboden Stad; verlammen met de heilige dood van martelaars en bedelmannen. De stormen staken weer op en ik verschool me achter gesloten oogleden waar mijn ki stand zou houden en overwinnen. Later die week dwaalde ik door de met drakenschubben bedekte straten van Beijing als een geschopte hond met de staart tussen de benen. De tijd verhing zich traag aan de laatste rafels nacht. In de vrieskou van Beijing begon ik een menselijkheid te ontwikkelen.

En mijn taal schoot te kort voor wat ik zag; Een bedelaar met twee afgekloven stompjes, massa’s leprozen zonder naam of gezicht. Mijn broeders, mijn kinderen. Als een leeuw van steen ben ik gaan zitten op de hoek waar Gulou Dong Dajie, de werkelijkheid doorkruist en brulde mijn woede en verwarring uit over de straten. Ik verloor mijn grip op de tijd, slipte weg in een draaikolk van dagen. Voelde me als de zon die niet door de lagen van smog heen kon breken, een oude man in een wereld die al eeuwen niet meer op de zijne leek. Ik ben dan ook veel te laat geboren. Ik kleefde aan de versleten naden van de stad en bedelde om mist voor rond mijn ogen. Ik had teveel gezien dat nooit meer van mijn netvlies brand. Miljarden mensen die zongen in een taal die ik nooit heb of zal verstaan. Hoe zalig moet het zijn om onwetend te blijven? Illusies. Een standbeeld van botten en prikkeldraad dat uiteenspatte voor mijn voeten, tot rook.

Explosies die de nacht in beweging zette. Niets werd ongeroerd gelaten; uiteenspattende fonteinen van vuur, bloemen van licht, regenboogsterren en gloeiende draken. De straat droeg nog weken een rode mantel. Het roeren van de ondergaande zon, ik sloot mijn ogen voor zoveel schoonheid. Het was goed, altijd zo geweest.

2 opmerkingen:

cedille zei

Lang geleden dat ik zo iets moois gelezen heb! Maar wee o zo intriest.

Anoniem zei

haha zo zie ik er allang niet meer uit :P